Oudekerkgemeente / leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie
Inleider: Rinse Reeling Brouwer

LEERHUIS ‘DE MAALTIJD VAN DE HEER’, EERSTE AVOND

De opzet van de drie avonden:
Plaatsen uit evangelisten en apostelen die de overlevering (ook controversieel) kleurden
De grote spanningen in de geschiedenis van de ekklesia rond Jezus’ woorden aan tafel
De maaltijd van de Heer en de opbouw van de gemeente ter wille van het gemenebest

De eerste Schriftplaats: Lukas 24:13-35
Op de weg naar Emmaüs herkennen twee leerlingen Jezus als de opgestane in de wijze waarop hen voor hen de schriften opende en het brood brak. Deze tekst is fundamenteel voor de toenadering van de afgelopen halve eeuw, waarin Rome afscheid nam van de degradatie van de woordverkondiging als ‘voormis’ (zie de verwijzing in de Katechismus van de Katholieke Kerk van Johannes Paulus II uit 1993 art. 1347) en waarin een belangrijke stroom in de protestantse, ook in de gereformeerde kerkfamilies nieuw begon te beseffen hoe de christelijke eredienst het Woord én het Woord als Sacrament bevat.

De tweede Schriftplaats: 1 Korinthe 11:17-34
Paulus citeert hier een vroege overlevering van wat de ‘instellingswoorden’ zijn gaan heten. Terwijl hij in 1 Kor. 10:14-22 de nadruk had gelegd op de gemeenschap met (lichaam en bloed van) Christus, die een non-gemeenschap met afgoden uitsluit, ligt hier meer het accent op de gemeenschap van de leden van de gemeente met elkaar. Blijkbaar zijn er wantoestanden gegroeid, waar de beter gesitueerde gemeenteleden slemppartijen met elkaar houden, zonder op de proletarische leden te kunnen ‘wachten’. Dan ‘wachten’ ze ook niet op hun Heer. Daarom acht hij het van belang de liturgische functie van de maaltijd juist van de Heer te markeren.
Bijzondere aandacht vraagt de metafoor van het ‘lichaam’. In Markus 14:58 wordt Jezus ervan beschuldigd de tempel te willen afbreken; valselijk, want zijn navolgers hebben de vernietiging van de tempel niet gewild. Johannes 2:21 interpreteert: ‘hij sprak van de tempel van zijn lichaam’. Zo komen de levende stenen in plaats van het afgebroken centrum van het volksbestaan. Al voor Paulus waren de leden van het messiaanse lichaam leden van elkáár.

De derde Schriftplaats: Johannes 6:52-62
In een lange rede spreekt Jezus, na het verrichten van het wonder met de broden, van zichzelf als ‘brood van het leven’, manna uit de hemel. De provocatie neemt hevige vormen aan, wanneer Jezus zegt: ‘wanneer jullie het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebben jullie geen leven in jezelf’ (vs. 53). Roept hij hier op tot kannibalisme? Tegelijk heet het: ‘de Geest is het niet levend maakt, het vlees draagt daaraan niets bij’ (vs. 62). Hoe moeten we het nu verstaan: heel letterlijk of juist heel geestelijk? En gaat het hier wel over de eucharistie? Volgende week zullen we zien hoe juist hier de opvattingen uiteen zullen gaan!

LEERHUIS ‘DE MAALTIJD VAN DE HEER’, TWEEDE AVOND
De grote spanningen in de ekklesia rond de aanwezigheid van de Heer

Aansluiting aan de vorige maal. Augustinus’ uitleg van Johannes 6:52-62
II.1. In een lange rede spreekt Jezus, na het verrichten van het wonder met de broden, van zichzelf als ‘brood van het leven’, manna uit de hemel. De provocatie neemt hevige vormen aan, wanneer Jezus zegt: ‘wanneer jullie het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebben jullie geen leven in jezelf’ (vs. 53). Voor ‘vlees eten’ zie Psalm 27:2, Micha 3:3, Zacharia 11:9, Daniël 7:5. Voor ‘bloed drinken’ Numeri 23:34, Jesaja 49:26 etc. Bedenk verbod op leven vlees dat leeft in zijn bloed Gen. 9:4. Hoorders van de preek worden opgeroepen mee te werken aan smadelijke dood, waarin de koning incognito sterft onder eigen regie (Zuurmond). Eucharistische toespeling moeilijk. Augustinus (413) verwerpt ‘kafarnaïsch’ = kannibalistische uitleg. Traktaat 26 bij Johannesevangelie bij vers 50: ‘dit is het brood dat neerdaalt van de hemel, opdat degene die daarvan eet niet sterft’: (namelijk die eet) wat bijdraagt aan de kracht van het sacrament, niet wat bijdraagt aan het zichtbare sacrament; hij die inwendig eet, niet uitwendig; hij die eet met het hart, niet hij die bijt met de tanden.’  En bij vers 63: ‘De Geest is het die levend maakt’: in zijn platoonse denkwereld komt aan het geestelijke een hoger werkelijkheidsgehalte toe. Een sacrament is een teken, dat niet bestaat zonder te participeren aan de betekende zaak, waarom het uiteindelijk gaat. Christus brengt door de Geest eenheid in het lichaam van Christus, dus de gelovigen eten nooit een fragment van zijn lichaam, maar nemen in de symbolische orde van het sacrament deel aan het geheel ervan door de Geest.

De strijd in de Augustinus-interpretatie vanaf de 9e eeuw
II.2. In de Karolingische tijd vreest de monnik Paschasius Radbertus uit Corbie bij Amiens (‘De corpore et sanguine Domini’, 832) hier toch een te grote vergeestelijking en verinnerlijking. Hij pleit voor het in geloof onderkennen van het werkelijke wonder, van een meer dan louter innerlijke verandering, voltrokken in het dagelijkse misoffer (dat in die tijd opkomt, zie Wegman 166vv.). Op verzoek van Karel de Kale beoordeelt Ratramnus (uit hetzelfde klooster) zijn voorstel en houdt vast aan de augustinische opvatting dat het lichamelijke teken wel naar de waarheid verwijst maar haar niet bevat. Wanneer Berengar rond 1050 datzelfde betoogt met het grammaticale argument dat het subject (brood en wijn) niet mag worden opgeheven wanneer het predicaat (‘de tekenen zijn lichaam en bloed van X) wisselt, wordt hij veroordeeld, zeker ook uit intellectuelenangst. De figuur van de transsubstantiatie, door het 4e Lateranenconcilie (1215) doctrinair vastgelegd, poogt de toenemende druk tot grof-materieel wondergeloof in aristotelische termen in te dammen. Tegelijk verklaart het concilie nog eens nadrukkelijk dat alleen de gewijde priester het sacrament bedienen kan – een machtspolitiek gegeven waar alle ketterse bewegingen tegen te hoop zullen lopen.

II.3 In de theologie van Thomas van Aquino wordt, tegen de achtergrond van het concilie, een subtiele weg gezocht tussen uiterst spiritualisme en uiterst realisme (Wegman 176): de werkzaamheid van het teken kan nooit worden losgemaakt van geloof, het kruisoffer wordt niet herhaald, wel gecommemoreerd. // We bezien het lied ‘Adoro te devote’, dat mogelijk door hem in 1264 is geschreven met het oog op de officie van de – ondanks Witte Donderdag, maar onder grote druk van onderen – nieuw in te stellen sacramentsdag. Op voorstel van Gerardus van der Leeuw is het in 1938 opgenomen in het Hervormde Gezangboek, en nadien blijven staan (Liedboek 2013 nr 374 [zie Latijnse tekst, tekst liedboek en concept voor toelichting RRB t.b.v. CD-boekje]. Merk op (2e strofe), dat de Heer in zijn Woord tot ons komt en in geloof ontvangen wordt, zodat het materiële van het teken niet op zichzelf als zijn tastbare aanwezigheid onderkend kan worden / dat de ‘figuren’ (eerste strofe) verborgen zijn: de godheid in de vleeswording en de mensheid in dit teken, zonder dat nochtans de werkelijkheid er minder om is (3e strofe) / dat, naar de uitleg van Summa Theologica III q. 76 a. 5 i.c., het lichaam van Christus niet tegenwoordig kan zijn als op een plaats maar wel op de specifieke ‘wijze van de substantie’: dit begrip dan niet in materialistische zin genomen, maar als waarheid, als aanduiding van dat wat Christus daadwerkelijk voor ons is / dat geloof, hoop en liefde verbonden zijn als alle drie aspecten van de viering (4e strofe) / dat aan de gedachtenis het uitzicht ontspringt op de komende heerlijkheid (5e en 6e strofe in verkorte versie Liedboek).

II.4 In de latere Middeleeuwen komt het tot een verobjectivering en verzelfstandiging van de elementen (sacramentsprocessies, hostieaanbidding), die door Thomas’ matiging niet verhinderd zijn en die de gereformeerden bij de opkomende contrareformatie tot de conclusie zouden brengen: afgoderij!

De reformatie
II.5 Luther herstelde bovenal de correlatie van Woord en geloof in de sacramentsontvangst (in feite zoals Thomas, die hij vermoedelijk nauwelijks kende). Het Woord wordt sterk aan de instellingswoorden verbonden. Alle accent ligt op de zondenvergeving, waarnaar ook 1 Korinthe 11 wordt omgebogen (zie de passage in Kleine Katechismus van 1529). De canon schaft hij af; er kan geen sprake zijn van een offerend handelen van de kerk.

II.6. Het gereformeerde gevoelen is vermoedelijk door H. Zwingli het meest karakteristiek verwoord. Hij sloot steeds weer bij Joh. 6:63 aan: ‘das Fleisch ist nichts nütze!’ Elke vraag of Christus realiter, corporaliter, essentialiter in het sacrament aanwezig is moet verboden worden (‘Ad Matthaeum Alberum de coena dominica epistola’, 1524; Barth, 318). Je kunt je afvragen of dit spiritualisme nog wel platoons-augustijns is, of niet veeleer modern-rationalistisch. Er mag geen bemiddeling zijn van boven en beneden, en Christus is sinds de hemelvaart nu eenmaal boven.

II.7. Dit heeft Luther tot grote woede gebracht, trommelend op de tafel te Marburg. Maar Zwingli provoceert hem tot een zekere overreactie – zoals de these dat de menselijke natuur van Christus zich niet in de hemel opsluit maar alomtegenwoordig kan zijn (ubiquiteit).

II.8. Calvijn heeft in een traktaat uit 1541 voor de gemeente een weg pogen te wijzen boven de tegenstelling uit. Zwingli vergat dat het teken veel meer is dan lege herinnering, maar verbonden moet blijven met de betekende zaak (coniunctio); Luther vergat in zijn opwinding dat het wel om de aanwezigheid van de verborgene gaat, en ging zich te buiten in zijn beelden. Calvijns eigen voorstel: het is de Heilige Geest die het lichaam van Christus, dat inderdaad in de hemel is, onmiddellijk als tegenwoordig schenkt aan hen die in geloof aan de maaltijd participeren. Dit kan, zonder dat de tekenen hoeven op te houden te zijn wat ze zijn (het punt van Berengar). Naar mijn opvatting leent zich deze visie goed voor een oecumenische toenadering, zeker sinds in de Romana de epiclese door Paulus VI in de miscanon is hersteld. We zien dezelfde aspecten als in het lied van Thomas: de correlatie van Woord en geloof / de werkelijke, zij het verborgen tegenwoordigheid van de Heer / Christus zelf als de substantie van het sacrament / de nadruk op de tafelviering als dankzegging én onderlinge liefdesband / de eschatologische verwachting, want sterker dan in het lutherse ‘est’ wordt hier geweten van ‘Gods volk onderweg’ dat het manna ontvangt.

II.9. Calvijns eigen positieve lering blijkt goed uit het artikel ‘De la cene du Seigneur’ in de (eerste) Geneefse Catechismus van 1537. De tekst ontvouwt drie functies van de maaltijd, die in hedendaagse bewoordingen terugkeren in de recente nota van de synode van de Protestantse Kerk in Nederland (november 2016; auteur: prof. J. Muis): https://www.protestantsekerk.nl/themas/liturgie/avondmaal. Onder punt 5 lezen we: 1. De maaltijd als teken van aanwezigheid van de opgestane Heer (vgl. Calvijn|: presence): sacramentele functie; 2. Als ontvangst: uitbeeldende of symbolische functie (Calvijn: ‘soubz pain et vin sont represemtez le corps et le sang’); 3. Als begin van nieuw leven: ethische en politieke functie (Calvijn: mutuelle charite).
II.10 De veronderstelling bij zowel Thomas als Calvijn, namelijk dat het geestelijke een hoger substantieel karakter heeft dan het lichamelijke, vereist behalve uitleg ook wel nieuwe doordenking met het oog op het nu gangbare verstaan van werkelijkheid.

De stand van het oecumenisch gesprek
II.11. In het recentere Luthers-Gereformeerde gesprek (Leuenberger Concordie, 1973) is vastgesteld dat de wederzijdse leerveroordelingen uit de 16e eeuw niet meer kerk-scheidend zijn. De luthersen benadrukken dat het Woord van vergeving goddelozen rechtvaardigt, geen onderscheid maakt dus tussen meer en minder rechtvaardige mensen en vraagt om de ‘waardigheid’ van geloof alleen. Art. 18 maakt voor dat doel gebruik van een actualistische voorstelling van de verkiezing tot geloof. De gereformeerden hebben ingebracht dat het de Heilige Geest is die de Gekruisigde en Opgestane tegenwoordig stelt (art. 21).

II.12. In artikel 19 wordt het Marburgse dispuut (over Jezus’ uitspraak) opgelost door de aandacht te verleggen van de elementen naar de handeling. In de 16e eeuw was dit al het voorstel van Maarten Micron geweest in de Londense vluchtelingengemeente van de Nederlandse gereformeerden (1552).

II.13 Vraag en antwoord 80 van de Heidelbergse Catechismus, dat de paapse mis veroordeelt als ‘vervloekte afgoderij’, is in de 2e druk ingevoegd als reactie op het recente decreet van het concilie van Trente (Denzinger nr. 1656). De invoeging werkt als een stijlbreuk. Het is inzet van het oecumenisch gesprek in hoeverre de eredienst van de aanbidding, die ook de Katechismus van paus Johannes Paulus II handhaaft (nr. 1378) op respect en instemming kan rekenen.

LEERHUIS ‘DE MAALTIJD VAN DE HEER’, DERDE AVOND
De maaltijd van de Heer en de opbouw van de gemeente ter wille van het gemenebest

III.1 Voorbeeld I: Genève. In 1533 was de bisschop verjaagd, maar de hervorming in de stad stokte. Aan het eind van 1536 bieden de ‘dienaren’ enkele voorstellen in bij het stadsbestuur (de kleine raad) hoe alsnog de reformatie door te voeren. Het is opmerkelijk hoe centraal daarbij het avondmaal staat als hart van de gemeenschapsvorming. Het sacrament moet teruggegeven worden aan de gemeenschap zelf, Daarbij hoort ook het oefenen van de tucht, die in voortgaande eeuwen tot machtsmiddel werd van de hiërarchie. Maar hoe dat door te voeren in een stad, waarvan de bevolking zeker religieus pluriform was samengesteld? Juist de doorvoering van deze artikelen zouden de predikanten binnen anderhalf jaar in ernstige problemen brengen.

III.2 Een voorbeeld van de wijze waarop de tucht vanuit de dienst van Schrift en Tafel te Genève concreet werkte, geeft Roelf Haan in zijn boek Vergeten vragen, waarin hij ingaat op Calvijns omgang met de economische orde en het economisch handelen in de stad. In de Schriftuitleg moet een weg worden gevonden om in nieuwe verhoudingen met het Bijbelse renteverbod om te gaan, in de tucht gaat het bijvoorbeeld om omgang met frauduleus handelen in het ruilverkeer.

III.3. Voorbeeld II: voormalig aartsbisschop van Canterbury Rowan Williams, Hij sluit zich aan bij de Anglicaanse benedictijn Gregory Dix, die de homo eucharisticus contrasteerde met de homo economicus die ons dagelijks in onze cultuur wordt voorgehouden, en in dat kader reflecteert over de sociale betekenis van de het breken, het delen, de gave, de onderbreking, de afwezigheid van de tegenwoordige, het lid-van-elkaar zijn van de leden van het ene lichaam en de uitstraling daarvan in de maatschappij door getuigenis en dienst.

Advertenties